Elke maand gratis nieuwsbrief:

Suriname

Suriname

In de Tweede Wereldoorlog produceerde Amerika de bulk van de aluminium die benodigd was voor de productie van vliegtuigen van zowel de Westerse geallieerden als de USSR. Wist je dat het merendeel van de erts die hiervoor benodigd was uit Suriname kwam? 

Om het in Suriname gestationeerde Nederlandse leger te ondersteunen werd in 1939 de Surinaamse Schutterij opgericht, een eenheid die 5.000 man sterk zou worden. Om de bauxiet-mijnen te verdedigen stuurden de Amerikanen in 1942 2.000 extra troepen met 73 tanks naar de Nederlandse kolonie. 

De Schutterij mocht niet buiten Suriname opereren, maar veel Surinamers deden dat wel. Ze dienden in het algemene Nederlandse leger, zoals in de in Engeland opgerichte Prinses Irene Brigade, maar ook in alle geledingen van de Nederlandse Marine en Koopvaardij en de luchtmacht. Vanaf 1943 trokken honderden Surinamers naar Australië waar ze tot soldaat werden opgeleid en bij KNIL werden gevoegd om tegen Japan te vechten. Vele in Nederland woonachtige Surinamers, zoals Anton de Kom (waar we al eerder over schreven), speelden een rol in het verzet. 

De rol van de Nederlandse overzeese gebieden en de mensen die daar woonden wordt in de Nederlandse geschiedenis veelal vergeten, maar hun inzet en lijden was er niet minder om. Ook daar woonden moeders die voor langere tijd hun zoon moesten missen en dagelijks naar bed gingen met de angst op slecht nieuws van het front. 

Foto van de Surinaamse Schutterij: BeeldbankWo2

Deel dit:

Lieve Mama,

Lieve Mama

Lieve Mama, 

Vandaag is het precies 120 dagen geleden dat ik thuis ben vertrokken. Ik hoop dat het bij jou allemaal goed is, dat je gezond bent en dat je fijne dagen hebt. Ik mis je heel erg en denk iedere dag aan je. 

Tot nu toe hebben we vooral gereisd. We zijn in Oekraïne en rukten over eindeloze besneeuwde steppen op. De sneeuw is van goede kwaliteit, dus ik kan hier veel skiën. We hebben lange dikke jassen en hoge laarzen en daarin heb ik het zelden koud. 

Als koerier zit ik ver achter het front, dus ik loop geen gevaar. Sowieso is het hier rustig. De strijd wordt tientallen kilometers verderop bij Stalingrad gevoerd. 

De lokale bevolking doet me denken aan thuis. Ze hebben het niet gemakkelijk, maar zijn gelukkig in hun eenvoud. Het zijn harde werkers, die blij zijn met alles dat ze voor ons kunnen doen. 

Ik woon met een paar kameraden in een klein dorpje en we slapen in een schuur. Die verwarmen we met hout, waar we genoeg van kunnen vinden. Als het vuur uitgaat, dan maken we het aan met stro dat we uit de daken trekken. 

In het dorp zitten verder wat Hongaren en Roemenen en een enkele verdwaalde Duitser. Soms eten we samen en dan zorgen de Roemenen voor muziek, want die hebben accordeons, violen en zelf een piano bij zich. 

Het is hier onwerkelijk mooi. Nachten zijn helder en dan zie ik een ontelbare hoeveelheid sterren over die uitgestrekte vlakten. Dan denk ik aan jou, maar ook aan de Rus die even verderop ligt. 

Ook hij kijkt naar de sterren en vraagt zich net als ik af wat hij daar in naam van God aan het doen is. Hij heeft geen hekel aan mij, ik niet aan hem. Maar als ik hem op mijn skies tegenkom, dan zal ik op hem schieten. En hij op mij. Ik weet niet goed wat ik daarvan moet vinden. 

Morgen gaan we met de Hongaren jagen. We hopen herten of varkens te schieten, zodat we de komende weken extra vlees hebben en lekkere soep kunnen maken. 

Tot snel. 

Liefs, 

Giovanni, 9 November 1942

Deel dit:

Lieve tante Judith,

Lieve tante Judith

Lieve tante Judith, 

Voordat we uit Berlijn vertrokken zei je dat we het op het platteland moesten proberen en dat jij je bij ons zou voegen, zodra je kon. We zijn echter helemaal naar Nederland gelopen en het is vreselijker dan je kunt voorstellen. 

We liepen gewoon de grens over en vonden in Kerkrade een herberg waar we mochten slapen. We waren vrij en hadden eindelijk rust, zo dachten we. Maar midden in de nacht kwam de Nederlandse politie ons halen en die zette ons samen met een ander gezin terug de grens over. 

Eenmaal weer in Duitsland hebben we onze spullen bij het andere gezin gelaten en zijn we met een beetje kleding het platteland op gevlucht. We vonden tijdelijk onderdak bij een boer en wonen nu bij een andere boer, maar ook hier kunnen we niet lang blijven. We gaan richting België of Frankrijk. Hopelijk hebben we daar meer geluk en kijken ze anders tegen vluchtelingen aan. 

Lieve tante, de tijd is tekort voor me om alles te vertellen dat we hebben meegemaakt. Geloof me alstublieft wanneer ik zeg dat het verschrikkelijk is. Het is een schande. Zorg dat u vertrekt, voordat het te laat is. 

Nederland is geen goede bestemming, neem ook dat van mij aan. Probeer Zwitserland of anders Polen. 

Vol goede hoop en hopelijk tot snel, 

Meira en Micha, 6 November 1938

Deel dit:

Lieve Brigitte

Lieve Brigitte

Lieve Brigitte, 

Misschien kun jij me berichten waar mama uithangt? Ik heb sinds september niets meer van haar gehoord. Ik weet ook niet of deze brief jou nog bereikt, maar ik moet elke mogelijkheid nagaan. 

Wat er dit jaar allemaal gebeurd is, heb ik in mijn dromen niet vermoed. Ik kwam eind van 
de zomer in het Reuzengebergte voor de Volksstürmopleiding. Was daar nauwelijks een week en toen werd ik overgeplaatst naar Gardelegen. Daar vertelden ze me na wat marcheren dat ik soldaat ben, maar zo wil ik mezelf nog niet noemen. 

Vier weken was ik daar in Gardelegen, toen gingen we naar Iltenburg in Thüringen en van daar uit naar Bremen. We dachten naar Denemarken te gaan en dat vergulde ons, want dan zouden we de kust kunnen verdedigen en ons eindelijk nuttig maken voor het Reich. Via Oldenburg en Osnabrück zijn we uiteindelijk terechtgekomen op een boerderij in Nederland, in de buurt van Bocholt, dus tientallen kilometers achter het front. 

Het is hier rustig, maar de reis was vreselijk. Tot Oldenburg ging het wel, maar daarna hadden we steeds luchtalarm en konden we alleen nog ’s nachts rijden. Altijd weer die jachtbommenwerpers. Toen we in Hengelo aankwamen waren we verbaasd. De Amerikanen hebben die hele stad volledig verwoest. 

Vanaf daar moesten we lopen. Alles wat we konden organiseren namen we mee. We zochten vooral fietsen en handkarren en natuurlijk eten. De Nederlanders vloekten vreselijk en probeerden alles te verstoppen. Midden in de nacht verlieten we de stad. 

We liepen de hele nacht door en na een mars van meer dan 40 kilometer bereikten we ons kamp. Mijn voeten zijn kapot van de blaren. 

In ons kamp aangekomen aten we onze buik vol aan gekookte boekweit en gebakken spek. We sliepen in het hooi, een gat in de dag.

Iets verderop zijn parachutisten gelegerd. Van hen kregen we lange jassen, broeken en schoenen, zodat we iets hebben dat op een uniform lijkt. 

We hebben oude geweren met korte bajonetten en veel patronen. In 1940 buitgemaakt op het Nederlandse leger, zeggen de parachutisten. Zij zeggen ook dat we binnenkort gaan aanvallen, want er broeit iets. Commandanten rijden af en aan, dus Duitsland heeft ons nodig! 

Bij de aanval komen bovendien onze Wunderwaffen im Einsatz en daarmee werpen we de Tommies terug in het kanaal. 

Ik groet je van harte Brigitte. Ik hoop dat jouw dagen niet al te onrustig zijn. 

Hermann, 14 December 1944

Deel dit:

De paarse broek lost niet veel op

De paarse broek lost niet veel op

We vieren dit jaar 75 jaar vrijheid, omdat er in 1945 een einde kwam aan de tweede wereldoorlog. Bijna automatisch nemen we aan dat het daarna voor iedereen allemaal beter werd, maar dat is helaas niet het geval, want voor veel mensen werd het daarna nog slechter. 

Vraag maar eens aan iemand uit het oosten van Nederland hoe ze ’75 jaar vrijheid’ ervaren hebben. Met landgenoten uit het oosten van ons land heb ik het dan niet over Tukkers en Achterhoekers, maar over (oa.) Indo’s, Papoea’s en Molukkers. 

Een ander voorbeeld is homoseksualiteit, voor de oorlog een normale relatievorm maar na de oorlog verboten en in diverse landen strafbaar. In Engeland ging men zelfs zover dat verklaringen omtrent homoseksueel gedrag met geweld werden afgedwongen, waarna vier jaar (!) gevangenisstraf of chemische castratie volgde. 

Eén van de bekendste slachtoffers van dit beleid is Alan Mathison Turing. Deze wiskundige was in de tweede wereldoorlog verantwoordelijk voor het breken van de nazi-code, waardoor de geallieerden alle geheime communicatie begrepen en daarop konden anticiperen. Deze ontdekking door Turing wordt door velen gezien als de grootste prestatie van de geallieerden tijdens de oorlog, omdat deze de duur met twee jaar verkort heeft en zodoende voorkwam dat er nog eens 15 miljoen slachtoffers vielen. 

Zijn staat van dienst was echter niet voldoende om te bewijzen dat homoseksuele normale mensen zijn. Hij werd in 1952 opgepakt en chemisch gecastreerd, waardoor hij borsten ontwikkelde. 

Op 7 juni 1954 werd hij dood gevonden. Hij zou zichzelf vergiftigd hebben met cyanide, maar het bewijs hiervoor bestaat niet. 

Hij is mogelijk vermoord door de Britse geheime dienst omdat Turing teveel wist van codes en omgangsnormen (wie doet ‘het’ met wie) en daardoor een veiligheidsrisico was. Dat laatste moet je zien in de geest van de koude oorlog, waarin de Russische geheime dienst talloze hooggeplaatste Engelse bewindslieden chanteerde met informatie over hun homoseksuele activiteiten. 

De Engelse regering erkende pas in 2009 hun onfatsoenlijke gedrag en bood postuum excuses aan. Vier jaar (!) later verleende de koningin al (kuch) gratie en werd zijn veroordeling wegens homeseksualiteit uit de boeken geschrapt. 

Zo is het straatje schoon, maar daarmee is het probleem van handelen op basis van superioriteitsgevoelens natuurlijk niet opgelost. En dat doe je ook niet door een paarse broek aan te trekken.

Deel dit:

Zandsculpturen in Garderen ter gelegenheid van 75 jaar vrijheid

Afbeelding voor

In het kader van 75 jaar vrijheid maakten in Garderen bijna 40 kunstenaars zandsculpturen en diorama’s, waarmee ze stilstaan bij hoogte- en dieptepunten uit die 5 jaar oorlog voor Nederland. Prachtige scenes, waanzinnige kwaliteit. Verborgen pareltje op de Veluwe dat Veluws Zandsculpturenfestijn.

Het festijn is volledig corona-proof en grotendeels zelfs buiten. Warme jas aan en genieten. Vergeet ook niet het diorama dat dient als ode aan de Elfstedentochten die tijdens die jaren geschaatst zijn.

In deze post een paar foto’s van het prachtige evenement. Ga er vooral zelf kijken, want de foto’s zijn echt niet half zo mooi als de beelden zelf. 

Afbeelding voor None
Afbeelding voor None
Afbeelding voor None
Afbeelding voor None
Afbeelding voor None
Afbeelding voor None
Afbeelding voor None
Afbeelding voor None
Afbeelding voor None
Deel dit:

Koffie?

Afbeelding voor

De wind giert door de gaten in de cockpit en doet pijn in mijn gezicht. Mijn ogen worden beschermd door een bril. Ik zit vast gesnoerd in mijn kleine stoel en kan nauwelijks bewegen. Het angstzweet staat op mijn rug en tussen mijn billen, terwijl mijn kruis en dijen onder de urine zitten. 

Nog een paar kilometer en dan kunnen we na 7 uur vliegen eindelijk onze bommen op het doel gooien en terug naar huis. We trotseren een muur van staal opgetrokken door de talloze luchtdoelkanonnen die de raffinaderij in Roemenië beschermt. 

Zware verliezen

Zoals van te voren bedacht vliegen we laag. Extreem laag. Op slechts 15 meter hoogte scheren we over de bomen. Het moest een verrassingsaanval worden, maar dat is dus niet gelukt. 

De scherven van ontploffende granaten tikken tegen de huid van onze B-24 Liberator. Lichtspoormunitie vliegt aan alle kanten om ons heen. Ik voel het inslaan op de vleugels. We hebben lichte schade en één de 9 bemanningsleden is lichtgewond. 

We vertrokken met 178 bommenwerpers en ik ben benieuwd hoeveel het doel bereikt hebben. Links en rechts worden collega’s uit de lucht geschoten. Ik zie één bommenwerper ontploffen en twee in brand staan. 

We vliegen zo laag dat onze boordschutters voor en achter de luchtdoelkanonnen op de grond onder vuur kunnen nemen. We hebben geen idee of het wat uithaalt, maar het geeft ons in ieder geval het gevoel dat we iets terug doen. 

Inferno

Inmiddels vliegen we boven het grote industriële complex waar de nazi’s naar het schijnt tweederde van hun olie vandaan halen, dus bommen los. Het zijn er maar 6 van elk 500 pond, want de rest van het bommenruim wordt ingenomen door een extra brandstoftank zodat we ook nog terug kunnen komen op onze vliegbasis in Noord-Afrika. 

Ik stuur hard naar stuurboord om zo snel mogelijk weg te komen van dit inferno. We blijven laag vliegen, want anders zijn we een hele makkelijke prooi voor de Duitse – en Roemeense luchtmacht. 

De bommenwerper naast me wordt geraakt en ik zie een vlam uit de derde motor slaan. Tegelijk hoor ik de Punt-50 mitrailleurs van onze bovenkoepel ratelen. Dat betekent dat we aangevallen worden door jachtvliegtuigen. 

Automatisch wil ik een ontwijkende beweging maken, maar in formatie kan dat niet. Ik moet vertrouwen op mijn boordschutters die onafgebroken schieten. 

Wolken

Aan het schudden merk ik dat we geraakt worden. Over de intercom hoor ik dat we schade hebben in het staartstuk. Twee schutters zijn gewond, waarvan één ernstig, maar de vijand lijkt weg. 

De brand in de B-24 naast me is uit, maar ik zie twee motoren stilstaan. De piloot meldt dat hij Afrika niet gaat halen, maar uit zal wijken naar het neutrale Turkije. 

Mijn bemanning bekommert zich om de twee gewonden, terwijl ik onze beschadigde B-24 over de bergen heen in de wolken trek. Eindelijk beschutting. Verder gebeurt er onderweg niets. Ruim vijf uur later landen we in Libië. 

Tijdens het taxiën vraagt mijn co-piloot of ik nog koffie wil, aangezien de thermoskan nog half vol zit en nog warm is. Terwijl ik van mijn koffie geniet en het vliegtuig uitrolt tel ik de gaten in de cockpit, maar bij 30 raak ik de tel kwijt. 

NOOT

Op 1 augustus 1943 viel de Amerikaanse Luchtmacht vanuit Libië in Afrika met 178 bommenwerpers de Roemeense raffinaderij bij Ploesti aan. Het zwaar verdedigde doelwit bleek een brug te ver. Slechts 88 vliegtuigen keerden terug, waarvan er 55 zwaar beschadigd waren. Er werd nauwelijks schade aan de raffinaderij aangebracht, terwijl de Amerikanen ruim 500 mensen verloren. 

De afbeelding toont Hell’s Wrench, het vliegtuig van commandant Addison E. Baker en crew. Hij leidde de 93ste bombardementsgroep naar het doel en werd vlak bij de raffinaderij in brand geschoten. Hij liet zijn bommen vervroegd vallen om zo in de lucht te kunnen blijven en zijn eenheid naar het doel te leiden. Het toestel stortte bij het doel neer en de hele bemanning kwam om. Commandant Baker en zijn piloot John Jerstad ontvingen voor deze actie postuum de Medal of Honor.

Deel dit:

Is dat geld nu echt zo belangrijk?

Afbeelding voor

Het is begin van deze eeuw en wij wonen net in Zwolle. We vieren een verjaardag, ergens in de winter. Misschien wel die van mijn vader. Mijn opa begint naar aanleiding van ons nieuwe adres over de oorlog. 

Dat is uniek, want over die vreselijk tijd werd nooit gesproken. Wat hem betreft was het nooit gebeurd en als iemand hem ernaar vroeg dan zei hij steevast dat hij 3 maanden te jong was voor de mobilisatie en dat de oorlog – op wat verplichte arbeid als schoenmaker na – zo’n beetje aan hem voorbij was gegaan.

Als 17-jarige kruipt hij met granaten op zijn rug door een weiland

De realiteit blijkt die middag een andere, want hij dient in de meidagen als vrijwilliger bij het luchtafweergeschut in Fort Blauwkapel tussen de Bilt en Utrecht: “De schoften vlogen laag over. We knalden er zat neer, maar het was niet genoeg.”

In de oorlog blijft hij vrijwilliger voor de goede zaak en ‘regelt’ hij (oa) bonnen en eten voor familie en onderduikers en daarvoor loopt hij herhaaldelijk met een handkar van Utrecht naar Groningen en weer terug om onderweg bij de boeren om voedsel te krijgen en anders te kopen.

Zwolle triggert Oorlog bij hem. Niet de stad, maar de brug: “Als we daarover waren, dan was het goed.”

De brug

Als belangrijkste knooppunt naar het Noordoosten wemelt die brug vanzelfsprekend van de nazi’s. Daaronder ook mensen van de CCD, het orgaan dat Zwarte Handel moet bestrijden. Dat zijn Nederlandse ambtenaren in Dienst van het Reich.

Ze nemen veel voedsel in beslag, dat vaak met pijn en moeite op fietsen met houten banden en ouderwetse karretjes te voet is opgehaald en die CCD is zo samen met een klein aantal woekerboeren verantwoordelijk voor talloze hongerdoden, ook buiten de hongerwinter om. Nederlandse verzetsmensen en normale boeren hadden het niet op de CCD: “Daar konden er niet genoeg van kapot geschoten worden” aldus mijn opa.

In het Dominicanenklooster van Zwolle hadden ze een hoofdkantoor en daar hangt nog altijd een marmeren plaquette met de namen van tientallen ‘Kameraden die tijdens hun dienst stierven voor de goede zaak’ (lees: omkwamen door ingrijpen van het verzet).

De brug is die middag een lastig ding voor mijn opa. In zijn gedachte ziet hij zich vast en zeker de kar met voedsel eerst met grote moeite de heuvel op duwen om hem daarna gecontroleerd heuvelafwaarts zien te krijgen.

Iedereen die er weleens overheen gefietst is, weet hoezeer je hoopt dat het stoplicht onderaan die heuvel op groen staat als je eraan komt denderen. Beeld je in dat je daar met een handkar met 75 tot 150 kilo aardappels, wortels, bieten en graan af moet.

De zwaartekracht die aan die kar trekt, slechts gecompenseerd door het lichaamsgewicht van mijn opa en een broer, zwager of vriendin (mijn oma). En dan hadden ze al 400 kilometer in benen. Zo’n kar die schurend en schuivend richting die bunker aan de voet van die heuvel glijdt.

“Kolere ambtenaren”

Dat gaat nog weleens mis en schoof je het taluud af en rolde je met je kar de uiterwaarden in, waarna die “etters van de CCD” zich als haaien op de handel stortte: “Dat moesten we opnieuw beginnen en terug naar het noorden.”

Tussen Zwolle en Groningen zitten een aantal boerderijen waar de ploeg van mijn opa voedsel haalde. Daaronder veel goede boeren die gratis of tegen kostprijs en op eigen risico het westen in leven houdt. Mensen uit de Randstad doen de logistiek, maar de boeren zorgden voor onderdak, opslagplaatsen (voor “van alles”), groente en soms zelfs melk en vlees.

Klederdracht

Mijn opa is even stil en vraagt dan heel specifiek naar één dorp: “Hoe ver is dat van Zwolle?”

“Een minuut of 20,” zeg ik.

Hij piekert even en zegt dan: “Daar wil ik wel een keer naartoe. Ik heb geen adres, maar als ik daar ben dan weet ik het wel weer.”

Mijn oma, in de oorlog al samen met mijn opa, vindt het geen goed idee, maar mijn opa is niet te vermurwen.

Er gaat een maand of twee overheen en het wordt lente. Ze komen naar Zwolle en met de familie rijden we over de oude weg naar het bewuste dorp. Eenmaal in het dorp gidst hij ons zonder moeite naar een hele grote sjieke boerderij.

Stilte

We bellen aan. Het duurt even voor er open wordt gedaan.

Het is een oude vrouw in klederdracht. Ze kijkt verbaasd naar de groep, maar ontdekt dan het mijn opa. Haar gezicht verstijft. Ze keek hem lang en indringend aan: “Ik wist dat ik je nog eens zou zien.”

Mijn opa zegt niets.

We gaan naar binnen en krijgen koffie. We hebben een hartelijk en warm gesprek en zitten in een luxe keuken rond een oude smeedijzeren kachel.

Mijn opa drinkt stoïcijns zijn koffie. Zijn ogen kijken naar de schilderijen aan de muur, de marmeren en bronzen beelden op de schouw en de Bijbel in het raam.

Het zijn mijn oma en hun dochter (mijn moeder) die het gesprek voeren. Het gaat over koetjes en kalfjes, maar de sfeer is raar en de oorlog komt niet ter sprake.

Het bezoek duurt niet lang. Het afscheid door de vrouw is hartelijk. Mijn opa blijft stil.

We lopen door de gang naar buiten.

Daar aangekomen draait opa zich om. Hij kijkt de vrouw aan. Haar gezicht verstrakt. Hij zegt:: “Waarom die woekerprijzen? Is dat bloedgeld echt zo belangrijk?”

De vrouw staart hem aan, wil iets zeggen, maar doet dat niet en sluit met een stalen gezicht de deur. 

De terugreis naar Zwolle is lang, al duurt die maar 20 minuten.

Bron: Joop Davelaar maakte dit tijdens de oorlog mee. Hij is de opa van de man van Ksenia. Een ander verhaal van hem lees je hier.

Deel dit:

De melkbus

Afbeelding voor

Daar is die schreeuw weer, gevolgd door de schrille fluit. Het haalt me uit een diepe slaap. 

Nog meer geschreeuw. 

Naast me beweegt mijn zwager. We liggen dicht tegen elkaar aan, want de dekens zijn dun en in de zakken waar we op slapen zit nauwelijks stro. 

RAUS! 

Onderweg naar buiten pakken we van de tafel ons ontbijt. Een donker stuk brood, net als gisteren.

Aan een ton hangt een touw met daaraan een beker. Ik schep water en drink het snel op. Neem gauw nog een tweede maar dan moet ik de beker al doorgeven. 

Buiten stellen we ons op in twee rijen, terwijl we onderwijl gauw ons brood opeten. Het is niet veel, maar ik bewaar toch een stuk voor later. Dat is handig. We worden geteld en gaan daarna op pad. 

Iedere dag lopen we dezelfde route. We zijn met om en nabij de 20 gevangenen, twee bewakers en een commandant op de fiets.

Gevangenen ja, want een week eerder was ik samen met mijn zwager bij de brug in Zwolle opgepakt. We hadden in Groningen eten gehaald voor onderduikers en waren met onze handkar op weg naar Utrecht. Bij de brug vond een controleur het nodig om een stuk spek van ons te stelen. 

Mijn zwager was een jaar of 17 en redelijk impulsief. Hij gaf die vuile NSB’er een rechtse directe en hoekte hem zo van het taluud af. 

Hij viel in de struiken, dus overleefde het. Maar wij werden gearresteerd. Weg kar, weg eten, weg vrijheid. 

Een Nederlandstalige bewaker nam ons mee de brug over richting Zwolle. Midden op hield hij halt: “Ik loop zo een stukje vooruit. Ontsnappen heeft geen zin zoals je begrijpt met die bewakers aan weerszijden van de brug. Maar als jullie spullen in je zakken hebben waarvan je niet wilt dat het gevonden wordt, dan is dit wel het moment om daar vanaf te geraken. De IJssel is je graag van dienst.” Hij knipoogde en liep door. 

Ik wisselde een blik met mijn zwager en snel gooiden we onze gestolen voedselbonnen weg. 

Zo kwamen we met lege zakken aan in ons nieuwe huis in de Berkumstraat. Daar sliepen we, terwijl we overdag moesten werken op het rangeerterrein bij het station.

Iedere dag lopen we langs de gracht naar het station en terug. We kunnen de route inmiddels dromen. 

Bij de grote kerk staat een kar met een paard ervoor. Op de kar staan melkbussen. De commandant fietst vooruit en gaat met de koetsier in gesprek. Er wordt gewezen op de melkbussen en onze commandant knikt. 

Als we bij de kar zijn aangekomen moeten we halt houden. Ze zoeken twee vrijwilligers om de kar te lossen en samen met mijn zwager meld ik me. 

De commandant vindt het prima en terwijl de rest van de groep weg loopt, trekken we ons uitgehongerde lichaam de kar op. We slepen de acht warme melkbussen naar de rand en tillen ze daarna naar de straat. 

We pakken elk een hengsel en slepen de bussen de kerk in. Buiten praat de bewaker met de koetsier en dus besluiten we de inhoud te verkennen. 

Het is warme soep. We hebben geen beker en de bussen zijn te zwaar om uit te drinken. Met onze kale handen schrapen we het schuim uit de hals van de bussen, zodat we alsnog iets te eten hebben. 

Als we de laatste bus binnen hebben staan, komt de bewaker. Hij sommeert ons direct richting station te lopen waar we geacht worden kolen te scheppen.

Deel dit: