Koffie?

Afbeelding voor

De wind giert door de gaten in de cockpit en doet pijn in mijn gezicht. Mijn ogen worden beschermd door een bril. Ik zit vast gesnoerd in mijn kleine stoel en kan nauwelijks bewegen. Het angstzweet staat op mijn rug en tussen mijn billen, terwijl mijn kruis en dijen onder de urine zitten. 

Nog een paar kilometer en dan kunnen we na 7 uur vliegen eindelijk onze bommen op het doel gooien en terug naar huis. We trotseren een muur van staal opgetrokken door de talloze luchtdoelkanonnen die de raffinaderij in Roemenië beschermt. 

Zware verliezen

Zoals van te voren bedacht vliegen we laag. Extreem laag. Op slechts 15 meter hoogte scheren we over de bomen. Het moest een verrassingsaanval worden, maar dat is dus niet gelukt. 

De scherven van ontploffende granaten tikken tegen de huid van onze B-24 Liberator. Lichtspoormunitie vliegt aan alle kanten om ons heen. Ik voel het inslaan op de vleugels. We hebben lichte schade en één de 9 bemanningsleden is lichtgewond. 

We vertrokken met 178 bommenwerpers en ik ben benieuwd hoeveel het doel bereikt hebben. Links en rechts worden collega’s uit de lucht geschoten. Ik zie één bommenwerper ontploffen en twee in brand staan. 

We vliegen zo laag dat onze boordschutters voor en achter de luchtdoelkanonnen op de grond onder vuur kunnen nemen. We hebben geen idee of het wat uithaalt, maar het geeft ons in ieder geval het gevoel dat we iets terug doen. 

Inferno

Inmiddels vliegen we boven het grote industriële complex waar de nazi’s naar het schijnt tweederde van hun olie vandaan halen, dus bommen los. Het zijn er maar 6 van elk 500 pond, want de rest van het bommenruim wordt ingenomen door een extra brandstoftank zodat we ook nog terug kunnen komen op onze vliegbasis in Noord-Afrika. 

Ik stuur hard naar stuurboord om zo snel mogelijk weg te komen van dit inferno. We blijven laag vliegen, want anders zijn we een hele makkelijke prooi voor de Duitse – en Roemeense luchtmacht. 

De bommenwerper naast me wordt geraakt en ik zie een vlam uit de derde motor slaan. Tegelijk hoor ik de Punt-50 mitrailleurs van onze bovenkoepel ratelen. Dat betekent dat we aangevallen worden door jachtvliegtuigen. 

Automatisch wil ik een ontwijkende beweging maken, maar in formatie kan dat niet. Ik moet vertrouwen op mijn boordschutters die onafgebroken schieten. 

Wolken

Aan het schudden merk ik dat we geraakt worden. Over de intercom hoor ik dat we schade hebben in het staartstuk. Twee schutters zijn gewond, waarvan één ernstig, maar de vijand lijkt weg. 

De brand in de B-24 naast me is uit, maar ik zie twee motoren stilstaan. De piloot meldt dat hij Afrika niet gaat halen, maar uit zal wijken naar het neutrale Turkije. 

Mijn bemanning bekommert zich om de twee gewonden, terwijl ik onze beschadigde B-24 over de bergen heen in de wolken trek. Eindelijk beschutting. Verder gebeurt er onderweg niets. Ruim vijf uur later landen we in Libië. 

Tijdens het taxiën vraagt mijn co-piloot of ik nog koffie wil, aangezien de thermoskan nog half vol zit en nog warm is. Terwijl ik van mijn koffie geniet en het vliegtuig uitrolt tel ik de gaten in de cockpit, maar bij 30 raak ik de tel kwijt. 

NOOT

Op 1 augustus 1943 viel de Amerikaanse Luchtmacht vanuit Libië in Afrika met 178 bommenwerpers de Roemeense raffinaderij bij Ploesti aan. Het zwaar verdedigde doelwit bleek een brug te ver. Slechts 88 vliegtuigen keerden terug, waarvan er 55 zwaar beschadigd waren. Er werd nauwelijks schade aan de raffinaderij aangebracht, terwijl de Amerikanen ruim 500 mensen verloren. 

De afbeelding toont Hell’s Wrench, het vliegtuig van commandant Addison E. Baker en crew. Hij leidde de 93ste bombardementsgroep naar het doel en werd vlak bij de raffinaderij in brand geschoten. Hij liet zijn bommen vervroegd vallen om zo in de lucht te kunnen blijven en zijn eenheid naar het doel te leiden. Het toestel stortte bij het doel neer en de hele bemanning kwam om. Commandant Baker en zijn piloot John Jerstad ontvingen voor deze actie postuum de Medal of Honor.

Deel dit:

Is dat geld nu echt zo belangrijk?

Afbeelding voor

Het is begin van deze eeuw en wij wonen net in Zwolle. We vieren een verjaardag, ergens in de winter. Misschien wel die van mijn vader. Mijn opa begint naar aanleiding van ons nieuwe adres over de oorlog. 

Dat is uniek, want over die vreselijk tijd werd nooit gesproken. Wat hem betreft was het nooit gebeurd en als iemand hem ernaar vroeg dan zei hij steevast dat hij 3 maanden te jong was voor de mobilisatie en dat de oorlog – op wat verplichte arbeid als schoenmaker na – zo’n beetje aan hem voorbij was gegaan.

Als 17-jarige kruipt hij met granaten op zijn rug door een weiland

De realiteit blijkt die middag een andere, want hij dient in de meidagen als vrijwilliger bij het luchtafweergeschut in Fort Blauwkapel tussen de Bilt en Utrecht: “De schoften vlogen laag over. We knalden er zat neer, maar het was niet genoeg.”

In de oorlog blijft hij vrijwilliger voor de goede zaak en ‘regelt’ hij (oa) bonnen en eten voor familie en onderduikers en daarvoor loopt hij herhaaldelijk met een handkar van Utrecht naar Groningen en weer terug om onderweg bij de boeren om voedsel te krijgen en anders te kopen.

Zwolle triggert Oorlog bij hem. Niet de stad, maar de brug: “Als we daarover waren, dan was het goed.”

De brug

Als belangrijkste knooppunt naar het Noordoosten wemelt die brug vanzelfsprekend van de nazi’s. Daaronder ook mensen van de CCD, het orgaan dat Zwarte Handel moet bestrijden. Dat zijn Nederlandse ambtenaren in Dienst van het Reich.

Ze nemen veel voedsel in beslag, dat vaak met pijn en moeite op fietsen met houten banden en ouderwetse karretjes te voet is opgehaald en die CCD is zo samen met een klein aantal woekerboeren verantwoordelijk voor talloze hongerdoden, ook buiten de hongerwinter om. Nederlandse verzetsmensen en normale boeren hadden het niet op de CCD: “Daar konden er niet genoeg van kapot geschoten worden” aldus mijn opa.

In het Dominicanenklooster van Zwolle hadden ze een hoofdkantoor en daar hangt nog altijd een marmeren plaquette met de namen van tientallen ‘Kameraden die tijdens hun dienst stierven voor de goede zaak’ (lees: omkwamen door ingrijpen van het verzet).

De brug is die middag een lastig ding voor mijn opa. In zijn gedachte ziet hij zich vast en zeker de kar met voedsel eerst met grote moeite de heuvel op duwen om hem daarna gecontroleerd heuvelafwaarts zien te krijgen.

Iedereen die er weleens overheen gefietst is, weet hoezeer je hoopt dat het stoplicht onderaan die heuvel op groen staat als je eraan komt denderen. Beeld je in dat je daar met een handkar met 75 tot 150 kilo aardappels, wortels, bieten en graan af moet.

De zwaartekracht die aan die kar trekt, slechts gecompenseerd door het lichaamsgewicht van mijn opa en een broer, zwager of vriendin (mijn oma). En dan hadden ze al 400 kilometer in benen. Zo’n kar die schurend en schuivend richting die bunker aan de voet van die heuvel glijdt.

“Kolere ambtenaren”

Dat gaat nog weleens mis en schoof je het taluud af en rolde je met je kar de uiterwaarden in, waarna die “etters van de CCD” zich als haaien op de handel stortte: “Dat moesten we opnieuw beginnen en terug naar het noorden.”

Tussen Zwolle en Groningen zitten een aantal boerderijen waar de ploeg van mijn opa voedsel haalde. Daaronder veel goede boeren die gratis of tegen kostprijs en op eigen risico het westen in leven houdt. Mensen uit de Randstad doen de logistiek, maar de boeren zorgden voor onderdak, opslagplaatsen (voor “van alles”), groente en soms zelfs melk en vlees.

Klederdracht

Mijn opa is even stil en vraagt dan heel specifiek naar één dorp: “Hoe ver is dat van Zwolle?”

“Een minuut of 20,” zeg ik.

Hij piekert even en zegt dan: “Daar wil ik wel een keer naartoe. Ik heb geen adres, maar als ik daar ben dan weet ik het wel weer.”

Mijn oma, in de oorlog al samen met mijn opa, vindt het geen goed idee, maar mijn opa is niet te vermurwen.

Er gaat een maand of twee overheen en het wordt lente. Ze komen naar Zwolle en met de familie rijden we over de oude weg naar het bewuste dorp. Eenmaal in het dorp gidst hij ons zonder moeite naar een hele grote sjieke boerderij.

Stilte

We bellen aan. Het duurt even voor er open wordt gedaan.

Het is een oude vrouw in klederdracht. Ze kijkt verbaasd naar de groep, maar ontdekt dan het mijn opa. Haar gezicht verstijft. Ze keek hem lang en indringend aan: “Ik wist dat ik je nog eens zou zien.”

Mijn opa zegt niets.

We gaan naar binnen en krijgen koffie. We hebben een hartelijk en warm gesprek en zitten in een luxe keuken rond een oude smeedijzeren kachel.

Mijn opa drinkt stoïcijns zijn koffie. Zijn ogen kijken naar de schilderijen aan de muur, de marmeren en bronzen beelden op de schouw en de Bijbel in het raam.

Het zijn mijn oma en hun dochter (mijn moeder) die het gesprek voeren. Het gaat over koetjes en kalfjes, maar de sfeer is raar en de oorlog komt niet ter sprake.

Het bezoek duurt niet lang. Het afscheid door de vrouw is hartelijk. Mijn opa blijft stil.

We lopen door de gang naar buiten.

Daar aangekomen draait opa zich om. Hij kijkt de vrouw aan. Haar gezicht verstrakt. Hij zegt:: “Waarom die woekerprijzen? Is dat bloedgeld echt zo belangrijk?”

De vrouw staart hem aan, wil iets zeggen, maar doet dat niet en sluit met een stalen gezicht de deur. 

De terugreis naar Zwolle is lang, al duurt die maar 20 minuten.

Bron: Joop Davelaar maakte dit tijdens de oorlog mee. Hij is de opa van de man van Ksenia. Een ander verhaal van hem lees je hier.

Deel dit:

De melkbus

Afbeelding voor

Daar is die schreeuw weer, gevolgd door de schrille fluit. Het haalt me uit een diepe slaap. 

Nog meer geschreeuw. 

Naast me beweegt mijn zwager. We liggen dicht tegen elkaar aan, want de dekens zijn dun en in de zakken waar we op slapen zit nauwelijks stro. 

RAUS! 

Onderweg naar buiten pakken we van de tafel ons ontbijt. Een donker stuk brood, net als gisteren.

Aan een ton hangt een touw met daaraan een beker. Ik schep water en drink het snel op. Neem gauw nog een tweede maar dan moet ik de beker al doorgeven. 

Buiten stellen we ons op in twee rijen, terwijl we onderwijl gauw ons brood opeten. Het is niet veel, maar ik bewaar toch een stuk voor later. Dat is handig. We worden geteld en gaan daarna op pad. 

Iedere dag lopen we dezelfde route. We zijn met om en nabij de 20 gevangenen, twee bewakers en een commandant op de fiets.

Gevangenen ja, want een week eerder was ik samen met mijn zwager bij de brug in Zwolle opgepakt. We hadden in Groningen eten gehaald voor onderduikers en waren met onze handkar op weg naar Utrecht. Bij de brug vond een controleur het nodig om een stuk spek van ons te stelen. 

Mijn zwager was een jaar of 17 en redelijk impulsief. Hij gaf die vuile NSB’er een rechtse directe en hoekte hem zo van het taluud af. 

Hij viel in de struiken, dus overleefde het. Maar wij werden gearresteerd. Weg kar, weg eten, weg vrijheid. 

Een Nederlandstalige bewaker nam ons mee de brug over richting Zwolle. Midden op hield hij halt: “Ik loop zo een stukje vooruit. Ontsnappen heeft geen zin zoals je begrijpt met die bewakers aan weerszijden van de brug. Maar als jullie spullen in je zakken hebben waarvan je niet wilt dat het gevonden wordt, dan is dit wel het moment om daar vanaf te geraken. De IJssel is je graag van dienst.” Hij knipoogde en liep door. 

Ik wisselde een blik met mijn zwager en snel gooiden we onze gestolen voedselbonnen weg. 

Zo kwamen we met lege zakken aan in ons nieuwe huis in de Berkumstraat. Daar sliepen we, terwijl we overdag moesten werken op het rangeerterrein bij het station.

Iedere dag lopen we langs de gracht naar het station en terug. We kunnen de route inmiddels dromen. 

Bij de grote kerk staat een kar met een paard ervoor. Op de kar staan melkbussen. De commandant fietst vooruit en gaat met de koetsier in gesprek. Er wordt gewezen op de melkbussen en onze commandant knikt. 

Als we bij de kar zijn aangekomen moeten we halt houden. Ze zoeken twee vrijwilligers om de kar te lossen en samen met mijn zwager meld ik me. 

De commandant vindt het prima en terwijl de rest van de groep weg loopt, trekken we ons uitgehongerde lichaam de kar op. We slepen de acht warme melkbussen naar de rand en tillen ze daarna naar de straat. 

We pakken elk een hengsel en slepen de bussen de kerk in. Buiten praat de bewaker met de koetsier en dus besluiten we de inhoud te verkennen. 

Het is warme soep. We hebben geen beker en de bussen zijn te zwaar om uit te drinken. Met onze kale handen schrapen we het schuim uit de hals van de bussen, zodat we alsnog iets te eten hebben. 

Als we de laatste bus binnen hebben staan, komt de bewaker. Hij sommeert ons direct richting station te lopen waar we geacht worden kolen te scheppen.

Deel dit:

Nachtheks

Afbeelding voor

In totale stilte glijdt het houten vliegtuig door de nacht. Het zoekt een nederzetting gelegen in de buurt van Mozdok, een stad in het noorden van de Kaukasus. Het gaat om een dorpje met drie of vier houten gebouwen, waar eerder die avond een aantal Duitse voertuigen is gezien.

Aan de stuurknuppel zit de 24 jarige Tataarse Olga, piloot bij het 588ste Russische bommenwerper regiment. Deze eenheid vliegt verouderde Polikarkov tweedekkers en heeft uitsluitend vrouwelijke piloten. 

De nazi’s kennen het regiment als de “Nachtheksen”. De bijnaam refereert aan de aanvalstechniek waarin de piloten ruim een kilometer voor het doel de motor van hun trage vliegtuig uitzetten en zo onhoorbaar naar het doel zweven om daar dan met uiterste precisie hun bommen te laten vallen. 

Het is haar vijfde missie van de nacht en vast niet de laatste, zo weet Olga. De fascisten hebben het Rode Leger met de rug tegen de machtige rivier de Wolga gedrukt. In een paar gebouwen langs die rivier houdt het leger van de USSR in de stad Stalingrad stand tegen een overmacht aan Duitsers, Italianen, Hongaren, Roemenen, Italianen en Nederlanders. Olga vecht verder naar het zuiden, waar ze in de bergen van de Kaukasus probeert te verhinderen dat de nazi’s de olievelden innemen. 

Het is koud in de open cockpit en dat vindt Olga fijn, want de frisse wind helpt haar om wakker te blijven. Zonder motor hoort ze alles wat er om haar heen gebeurt en in de duisternis zijn haar oren haar eerste verdediging. 

De Polikarpov PO-2 dubbeldekker is gemaakt in de jaren ’20 om akkers te besproeien. Het bestaat voornamelijk uit hout en stof en is erg brandbaar. De Rode luchtmacht noemt het daarom “Kerosine lantaarns”. Het toestel is uiterst traag, maar daardoor juist erg wendbaar. Als landbouwvliegtuig kan het overal optuigen en landen en is het bovenal betrouwbaar en makkelijk te onderhouden

Op links hoort Olga een andere tweedekker. De bedoeling is dat die langs het doel vliegt om verwarring te zaaien en luchtafweergeschut te misleiden. Rechts van haar moet haar vriendin Zoya vliegen.

Ze hebben elk zes fragmentatiebommen van twintig kilo bij zich. Dat zijn geen zware bommen en het zijn er niet veel, maar als je die precies boven op het doelwit gooit dan is alles behalve een zware tank kapot. Van mensen blijft helemaal niets over. 

Ze zweeft nu een meter of 10 boven de bomen en speurt in het donker naar een weg die daar ergens beneden moet lopen en die haar naar de nederzetting zal leiden. In het flauwe licht van haar zaklamp ziet ze op een kaart dat het niet ver meer kan zijn. 

Daar! Het einde van de bomenrij. Haar kameraden hebben het ook gezien en vliegen van haar weg om aan de andere kant van het dorpje voor onrust te zorgen, zodat de bommenwerper ongezien het doel kan bereiken.

Olga pakt met beide handen de beugel van haar stuurkolom vast en trekt de tweedekker meer horizontaal. Onmiddellijk neemt de snelheid af. Ze draait het vliegtuig iets van koers, zodat zij en haar waarnemer in de stoel achter haar een beter overzicht hebben. 

Ze zien het dorpje liggen. Drie huizen, wat schuren en een loods met twee verdiepingen. Het is inderdaad niet ver meer. Ze knijpt in de stuurkolom en stuurt het toestel naar rechts. Daar gaan ze, voor de vijfde keer deze nacht. 

Olga zweeft over het dorp. Ze hoort het ruisen van de wind langs de staalkabels van de dubbeldekker. Beneden schreeuwt iemand en er valt een schot. En nog één.

Ze drukt de stuurkolom naar voren en dwingt het houten vliegtuig in een kleine duikvlucht. Ze mikt op de plaats tussen de loods en één van de huizen. Ze ziet een aantal deuren open gaan en begint te tellen drie, twee, één en weg zijn de bommen. 

Ze trekt de stuurkolom zo ver ze kan naar zich toe, zodat het vliegtuig uit de duikvlucht komt en een weg naar boven zoekt. Beneden klinken nu meer schoten, gevolgd door een serie explosies van de bommen. Olga start de motor en stuurt naar rechts, weg van de vijand. 

Vlammen verlichten de omgeving en Olga vliegt met een boog terug naar het dorp. Ze heeft geen bommen meer, maar nu is het haar beurt om de vijand af te leiden. 

Ze vliegt wild om en over het dorp, terwijl haar waarnemer de situatie in de gaten houdt en de aanval van haar kameraden volgt. De Duitse luchtmacht laat zich gelukkig niet zien. 

Zoya valt als laatste aan. Vanuit het kleine dorp wordt nu met zware machinegeweren terug geschoten. De lichtspoormunitie trekt witte strepen door de lucht en Olga ziet de bommen op de loods vallen. 

Ze verzamelen boven het bos en vliegen met zijn drieën terug naar de basis. De tweedekkers van Olga en Zoya zijn redelijk beschadigd. 

De dames vertrekken naar de kantine om daar bij de kachel en met een kop hete thee warm te worden. Terwijl de toestellen worden volgetankt en voorzien van nieuwe bommen, zijn technici met naald, draad en lijm in de weer om de schade te herstellen. Over 20 minuten vertrekken ze weer, want de kaarten en instructies voor de zesde missie van die nacht worden bij de thee geserveerd.

Deel dit:

A111118

Afbeelding voor

Op 11 november 1918 (11/11/18) eindigde de Eerste Wereldoorlog die 4 jaar eerder begon met het neerschieten van aartshertog Franz Ferdinand van Oostenrijk-Este. Hij zat in deze auto met kenteken A111118.

Deel dit:

Wie is de volgende?

Afbeelding voor

Slaperig kijkt Erich naar de klok. Het is half vijf in de ochtend en het alarm gaat af. Ergens staat iets in de brand. 

Hij wrijft de slaap uit zijn ogen, neemt een paar slokken water en stapt uit bed. Het is begin november en echt al fris. Hij schiet in een broek en trui die hij van de grond raapt en haast zich op zijn fiets naar de brandweercentrale. 

Daar staan veel mensen voor de deur. “Vreemd,” denkt Erich, “wat doen ze hier om deze tijd?” 

Hij worstelt zich een weg door de menigte om bij de deur te komen. Als hij die wil openen, laten ze dat niet toe. Hij mag de centrale niet in en weet niet wat hem overkomt: “Er staat iets in de brand, we moeten de brandweerwagens … ”

Voordat hij zijn zin kan afmaken pakt iemand hem vast en wordt hij door de menigte heen naar de overkant van de straat gesleurd. 

Als hij zich los geworsteld heeft, kijkt hij in het bebloede gezicht van zijn goede vriend en brandweercollega Otto. Erich is verbaasd over hoe slecht Otto eruit ziet. Alsof hij een ongeluk gehad heeft en met zijn fiets tegen een muur is geknald. 

Hij begint te praten, maar Otto legt gelijk een hand op zijn mond: “Erich, wees stil! De synagoge staat in brand. Ik kwam er langs, probeerde het vuur uit te maken en werd door een horde mensen in elkaar geslagen. Ik weet ook niet wat er aan de hand is.”

Erich weet niet wat hij moet zeggen. Vol ongeloof staart hij de grote Otto aan: “In elkaar geslagen? Jij?”

Meer brandweerlieden verzamelen zich, maar het duurt nog een paar uur voordat ze eindelijk de centrale in mogen. Heel voorzichtig rijden ze de wagens naar buiten en gaat het richting synagoge. 

Ook daar treffen ze een grote menigte aan en die voorkomt dat de brandweerwagens in de buurt van het voor de joden heilige huis komen. Er komt een man in een bruin uniform aangelopen. Hij geeft de brandweercommandant het bevel dat er niet geblust mag worden. 

Het gaat tegen de eed in die de brandweerlieden gezworen hebben en her en der is gemor te horen. “Zwijgen!” Zegt de commandant en dan wijst hij op de menigte burgers: “De vijand luistert mee en voordat je het weet gaan die meelopers het vuile werk opknappen.”

Erich en Otto klimmen van de wagen. Behoedzaam kijken ze om zich heen. Erich pakt een schep: “Je weet maar nooit.”

De sfeer is grimmig en de vlammen slaan hoog uit de synagoge. De menigte joelt en juicht, terwijl politie-agenten en partijleden joden dwingen om voor de brandende synagoge te knielen en daar met de handen in de lucht te blijven zitten. 

“Wat gebeurt hier?” Vraagt Erich hardop. 

“Shhht.” Zegt Otto, terwijl hij naar de rij knielende Joden wijst. “Zo zit je daar ook.”

Dan komt de nazi aanlopen. Dit keer vraagt hij de brandweerlieden om met zand het vuur binnen de synagoge te houden. Het mag niet overslaan op andere gebouwen, maar er mag niet geblust worden, want het vuur moet zelf uitbranden.

Otto pakt drie emmers zand en geeft er één aan Josef: “Pak voor mij een bats en kom mee.” 

Samen lopen ze naar de zijkant. 

Daar staan ze de hele dag geïrriteerd op brandwacht. Af en toe bedekken ze een regen vonken met een paar scheppen zand, maar veel is er niet te doen. Ze verbazen zich over de vele inwoners van de stad die komen kijken. 

“De meesten lijken te genieten van de fik.” Zegt Erich. 

Jan wrijft over de korsten op zijn gezicht: “Ik weet het. Ik heb het vanochtend zelf ondervonden.”

“Weet je,” zegt Erich, “Wie zouden er na de Joden aan de beurt zijn? Protestanten? Of wij, de Katholieken?”


Gebaseerd op een brief waarin een brandweerman zijn ervaringen tijdens de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938 beschrijft.

Deel dit:

Ethiek

Afbeelding voor

In iedere oorlog gebeuren dingen die niet door de beugel kunnen en sinds 1945 worden plegers van misdrijven tegen de mensheid vervolgd. Maar in dat vervolgen zijn we heel selectief. Als we iets aan een oorlogsmisdadiger hebben, dan zijn carrièrekansen van die misdadigers eindeloos. Er zijn altijd mensen die dat voor ze regelen. En hoewel die oorlogsmisdadigers voor het leven gebrandmerkt zijn, blijven die mensen achter de schermen volledig buiten beeld, zoals de Amerikaanse dokter Edwin V. Hill M.D. 

De kans dat jij een oorlogsmisdadiger in je vriendenkring hebt, acht ik niet zo heel groot, maar echt iedereen kent een Dr. Hill. In de tweede wereldoorlog maakte zo’n type ten koste van alles foute wapens, maar nu werken ze bijvoorbeeld in de voedingsmiddelenindustrie waar ze dan de wetgeving te slim af willen zijn en niet per definitie het beste voor hebben met je gezondheid. Of bij een producent van electrische auto’s waar ze over de rug van Afrikaanse kinderen werken aan winstmaximalisatie. Of ze zijn presidentskandidaat en uitsluitend bezig met een eigen agenda. 

Biologische oorlogsvoering als speerpunt

In de tweede wereldoorlog is Dr. Hill de baas over Fort Detrick, de thuisbasis van het Amerikaanse programma voor chemische oorlogsvoering. Hill wil niets liever dan het Amerikaanse leger voorzien van de beste biologische wapens en droomt van een virus dat zonder tussenkomst van soldaten de vijand kan uitroeien. Ontwikkelingen op Fort Detrick hebben voor het Amerikaanse leger, op het atoomonderzoek na, de hoogste prioriteit. 

Operatie Paperclip

Als de tweede wereldoorlog ten einde loopt, ontwikkelt het Amerikaanse leger omvangrijke programma’s om zoveel mogelijk technologie en wetenschappers van de verslagen vijanden buit te maken. Daarin gaan ze heel ver, want ze dringen er zelfs gebieden voor binnen die in verdragen aan de USSR zijn toegezegd. De installataies daar strippen ze van alle waardevolle spullen, documenten en mensen. 

Bekendste nazi-kopstuk dat vervolgens wordt vrijgesteld van vervolging voor oorlogsmisdaden en in Amerikaanse dienst treedt is Wernher von Braun, onder HItler verantwoordelijk voor de terreurwapens. Als raketgeleerde brengt hij de Amerikanen naar de maan, verdient de Amerikaanse nationaliteit en wordt directeur van Nasa.

Dokter Shiro Ishii, de Japanse Josef Mengele
Dokter Shiro Ishii, de Japanse Josef Mengele

De Japanse Josef Mengele

Minder bekend is de moeite die de Amerikanen doen voor dokter Shiro Ishii. Deze Japanse arts experimenteert tussen 1931 en 1945 op levende mensen. Hij doet omvangrijke onderzoeken om uit te vinden hoe lang mensen zonder eten kunnen en hoeveel pijn ze kunnen verdragen. Hij opereert zonder verdoving op levende mensen en wisselt organen uit om te onderzoeken hoe levende lichamen daarmee omgaan. Hij injecteert allerhande vloeistoffen om te zien hoe mensen daarop reageren en experimenteert op grote schaal met chemicaliën, schimmels en virussen. 

Ishii gebruikt voor zijn experimenten Japanse criminelen. Een ontsnapping van een aantal gevangenen brengt de misdaden aan het licht en gooit zo in 1934 roet in het eten. Het schokt de publieke opinie en daardoor moet het leger de faciliteiten dichtgooien. 

Eenheid 731

Twee jaar na het sluiten van zijn biologische kamp, krijgt Ishii een directe opdracht van de Keizer om zijn experimenten in de veroverde regio’s in China op grote schaal voort te zetten. Het is de geboorte van de uiterst beruchte ‘Eenheid 731’. 

Hij begint in gevangenkampen, maar breidt de experimenten later uit naar veroverde steden. Hij zet virussen uit en experimenteert met het vergiftigen van de drinkwatervoorziening om een aantal van zijn minst-grove experimenten te noemen. Enige honderdduizenden mensen komen daarbij om, vooral Chinezen maar in het kader van rassenonderzoek ook veel krijgsgevangenen uit bijvoorbeeld de Filippijnen en Nederlands-Indië. 

In 1945 krijgt hij opdracht om een grootschalige biologische aanval op California voor te bereiden. Dit moet het pronkstuk op zijn CV worden, maar de oorlog eindigt 5 weken te vroeg. 

Dr. Hill op zoek naar waardevolle oorlogsmisdadigers

Ishii en alle medewerkers van ‘Eenheid 731’ staan aan het eind van de oorlog op de lijst van de Amerikanen en de USSR om voor het gerecht te slepen, net zoals ieder nazi-kopstuk dat direct gelinkt kan worden aan de Holocaust. De resultaten van de onderzoeken naar misdrijven van de eenheid en dokter Ishii in het bijzonder zijn te verschrikkelijk voor woorden, zo vinden zowel Amerikaanse als Russische aanklagers.

Terwijl de aanklachten worden voorbereid, duikt plotseling Dr. Edwin Hill op. Hij wil deze Japanse ‘wetenschapper’ graag in zijn team hebben, vanwege zijn ervaring met ‘activiteiten die in Amerika lastiger zijn uit te voeren’. De USSR is mordicus tegen en vindt dat deze Japanse arts moet worden berecht, zoals alle nazi’s die experimenten op mensen uitvoerden. De lobby van Dr. Edwin Hill is echter te sterk en zo verdwijnt Shiro Ishii tot grote ergernis van de USSR van het toneel. 

Ishii ruilt een carrière bij Amerikaanse laboratoria voor biologische oorlogsvoering tegen een vrijrstelling van vervolging voor misdrijven tegen de mensheid en verdwijnt voor ruim 10 jaar uit beeld. In 1958 duikt hij onverwacht op bij een reünie van de medewerkers van ‘Eenheid 731’. Hij geeft daar een afscheidstoespraak, verhuist naar Tokyo en overlijdt daar een jaar later aan kanker.

Experimenten op levende Amerikanen

En Dr. Hill? Daar is niet zoveel over te vinden. Niet eens een foto. 

Mogelijk heeft dat ermee te maken dat het Amerikaanse laboratorium waar Ishii ‘adviseur’ is, in 1955 overgaat tot tests met levende mensen. Iets waar de Amerikanen met de kennis van nu niet erg trots op zijn. 

Voor die experimenten worden initieel vrijwilligers en ter dood veroordeelde gevangenen gebruikt, maar als die er vanwege de bruutheid staken, dan schakelt het leger over op Zevendedagadventisten. Die weigeren vanwege hun geloof dienstplicht en mogen daarom conform de Amerikaanse wetgeving voor experimenten ingezet worden. Deze experimenten gaan tot 1974 door, dus ruim na de dood van de Japanse misdadiger.

Deel dit: