Wie is de volgende?

Afbeelding voor

Slaperig kijkt Erich naar de klok. Het is half vijf in de ochtend en het alarm gaat af. Ergens staat iets in de brand. 

Hij wrijft de slaap uit zijn ogen, neemt een paar slokken water en stapt uit bed. Het is begin november en echt al fris. Hij schiet in een broek en trui die hij van de grond raapt en haast zich op zijn fiets naar de brandweercentrale. 

Daar staan veel mensen voor de deur. “Vreemd,” denkt Erich, “wat doen ze hier om deze tijd?” 

Hij worstelt zich een weg door de menigte om bij de deur te komen. Als hij die wil openen, laten ze dat niet toe. Hij mag de centrale niet in en weet niet wat hem overkomt: “Er staat iets in de brand, we moeten de brandweerwagens … ”

Voordat hij zijn zin kan afmaken pakt iemand hem vast en wordt hij door de menigte heen naar de overkant van de straat gesleurd. 

Als hij zich los geworsteld heeft, kijkt hij in het bebloede gezicht van zijn goede vriend en brandweercollega Otto. Erich is verbaasd over hoe slecht Otto eruit ziet. Alsof hij een ongeluk gehad heeft en met zijn fiets tegen een muur is geknald. 

Hij begint te praten, maar Otto legt gelijk een hand op zijn mond: “Erich, wees stil! De synagoge staat in brand. Ik kwam er langs, probeerde het vuur uit te maken en werd door een horde mensen in elkaar geslagen. Ik weet ook niet wat er aan de hand is.”

Erich weet niet wat hij moet zeggen. Vol ongeloof staart hij de grote Otto aan: “In elkaar geslagen? Jij?”

Meer brandweerlieden verzamelen zich, maar het duurt nog een paar uur voordat ze eindelijk de centrale in mogen. Heel voorzichtig rijden ze de wagens naar buiten en gaat het richting synagoge. 

Ook daar treffen ze een grote menigte aan en die voorkomt dat de brandweerwagens in de buurt van het voor de joden heilige huis komen. Er komt een man in een bruin uniform aangelopen. Hij geeft de brandweercommandant het bevel dat er niet geblust mag worden. 

Het gaat tegen de eed in die de brandweerlieden gezworen hebben en her en der is gemor te horen. “Zwijgen!” Zegt de commandant en dan wijst hij op de menigte burgers: “De vijand luistert mee en voordat je het weet gaan die meelopers het vuile werk opknappen.”

Erich en Otto klimmen van de wagen. Behoedzaam kijken ze om zich heen. Erich pakt een schep: “Je weet maar nooit.”

De sfeer is grimmig en de vlammen slaan hoog uit de synagoge. De menigte joelt en juicht, terwijl politie-agenten en partijleden joden dwingen om voor de brandende synagoge te knielen en daar met de handen in de lucht te blijven zitten. 

“Wat gebeurt hier?” Vraagt Erich hardop. 

“Shhht.” Zegt Otto, terwijl hij naar de rij knielende Joden wijst. “Zo zit je daar ook.”

Dan komt de nazi aanlopen. Dit keer vraagt hij de brandweerlieden om met zand het vuur binnen de synagoge te houden. Het mag niet overslaan op andere gebouwen, maar er mag niet geblust worden, want het vuur moet zelf uitbranden.

Otto pakt drie emmers zand en geeft er één aan Josef: “Pak voor mij een bats en kom mee.” 

Samen lopen ze naar de zijkant. 

Daar staan ze de hele dag geïrriteerd op brandwacht. Af en toe bedekken ze een regen vonken met een paar scheppen zand, maar veel is er niet te doen. Ze verbazen zich over de vele inwoners van de stad die komen kijken. 

“De meesten lijken te genieten van de fik.” Zegt Erich. 

Jan wrijft over de korsten op zijn gezicht: “Ik weet het. Ik heb het vanochtend zelf ondervonden.”

“Weet je,” zegt Erich, “Wie zouden er na de Joden aan de beurt zijn? Protestanten? Of wij, de Katholieken?”


Gebaseerd op een brief waarin een brandweerman zijn ervaringen tijdens de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938 beschrijft.

Deel dit: