Is dat geld nu echt zo belangrijk?

Afbeelding voor

Het is begin van deze eeuw en wij wonen net in Zwolle. We vieren een verjaardag, ergens in de winter. Misschien wel die van mijn vader. Mijn opa begint naar aanleiding van ons nieuwe adres over de oorlog. 

Dat is uniek, want over die vreselijk tijd werd nooit gesproken. Wat hem betreft was het nooit gebeurd en als iemand hem ernaar vroeg dan zei hij steevast dat hij 3 maanden te jong was voor de mobilisatie en dat de oorlog – op wat verplichte arbeid als schoenmaker na – zo’n beetje aan hem voorbij was gegaan.

Als 17-jarige kruipt hij met granaten op zijn rug door een weiland

De realiteit blijkt die middag een andere, want hij dient in de meidagen als vrijwilliger bij het luchtafweergeschut in Fort Blauwkapel tussen de Bilt en Utrecht: “De schoften vlogen laag over. We knalden er zat neer, maar het was niet genoeg.”

In de oorlog blijft hij vrijwilliger voor de goede zaak en ‘regelt’ hij (oa) bonnen en eten voor familie en onderduikers en daarvoor loopt hij herhaaldelijk met een handkar van Utrecht naar Groningen en weer terug om onderweg bij de boeren om voedsel te krijgen en anders te kopen.

Zwolle triggert Oorlog bij hem. Niet de stad, maar de brug: “Als we daarover waren, dan was het goed.”

De brug

Als belangrijkste knooppunt naar het Noordoosten wemelt die brug vanzelfsprekend van de nazi’s. Daaronder ook mensen van de CCD, het orgaan dat Zwarte Handel moet bestrijden. Dat zijn Nederlandse ambtenaren in Dienst van het Reich.

Ze nemen veel voedsel in beslag, dat vaak met pijn en moeite op fietsen met houten banden en ouderwetse karretjes te voet is opgehaald en die CCD is zo samen met een klein aantal woekerboeren verantwoordelijk voor talloze hongerdoden, ook buiten de hongerwinter om. Nederlandse verzetsmensen en normale boeren hadden het niet op de CCD: “Daar konden er niet genoeg van kapot geschoten worden” aldus mijn opa.

In het Dominicanenklooster van Zwolle hadden ze een hoofdkantoor en daar hangt nog altijd een marmeren plaquette met de namen van tientallen ‘Kameraden die tijdens hun dienst stierven voor de goede zaak’ (lees: omkwamen door ingrijpen van het verzet).

De brug is die middag een lastig ding voor mijn opa. In zijn gedachte ziet hij zich vast en zeker de kar met voedsel eerst met grote moeite de heuvel op duwen om hem daarna gecontroleerd heuvelafwaarts zien te krijgen.

Iedereen die er weleens overheen gefietst is, weet hoezeer je hoopt dat het stoplicht onderaan die heuvel op groen staat als je eraan komt denderen. Beeld je in dat je daar met een handkar met 75 tot 150 kilo aardappels, wortels, bieten en graan af moet.

De zwaartekracht die aan die kar trekt, slechts gecompenseerd door het lichaamsgewicht van mijn opa en een broer, zwager of vriendin (mijn oma). En dan hadden ze al 400 kilometer in benen. Zo’n kar die schurend en schuivend richting die bunker aan de voet van die heuvel glijdt.

“Kolere ambtenaren”

Dat gaat nog weleens mis en schoof je het taluud af en rolde je met je kar de uiterwaarden in, waarna die “etters van de CCD” zich als haaien op de handel stortte: “Dat moesten we opnieuw beginnen en terug naar het noorden.”

Tussen Zwolle en Groningen zitten een aantal boerderijen waar de ploeg van mijn opa voedsel haalde. Daaronder veel goede boeren die gratis of tegen kostprijs en op eigen risico het westen in leven houdt. Mensen uit de Randstad doen de logistiek, maar de boeren zorgden voor onderdak, opslagplaatsen (voor “van alles”), groente en soms zelfs melk en vlees.

Klederdracht

Mijn opa is even stil en vraagt dan heel specifiek naar één dorp: “Hoe ver is dat van Zwolle?”

“Een minuut of 20,” zeg ik.

Hij piekert even en zegt dan: “Daar wil ik wel een keer naartoe. Ik heb geen adres, maar als ik daar ben dan weet ik het wel weer.”

Mijn oma, in de oorlog al samen met mijn opa, vindt het geen goed idee, maar mijn opa is niet te vermurwen.

Er gaat een maand of twee overheen en het wordt lente. Ze komen naar Zwolle en met de familie rijden we over de oude weg naar het bewuste dorp. Eenmaal in het dorp gidst hij ons zonder moeite naar een hele grote sjieke boerderij.

Stilte

We bellen aan. Het duurt even voor er open wordt gedaan.

Het is een oude vrouw in klederdracht. Ze kijkt verbaasd naar de groep, maar ontdekt dan het mijn opa. Haar gezicht verstijft. Ze keek hem lang en indringend aan: “Ik wist dat ik je nog eens zou zien.”

Mijn opa zegt niets.

We gaan naar binnen en krijgen koffie. We hebben een hartelijk en warm gesprek en zitten in een luxe keuken rond een oude smeedijzeren kachel.

Mijn opa drinkt stoïcijns zijn koffie. Zijn ogen kijken naar de schilderijen aan de muur, de marmeren en bronzen beelden op de schouw en de Bijbel in het raam.

Het zijn mijn oma en hun dochter (mijn moeder) die het gesprek voeren. Het gaat over koetjes en kalfjes, maar de sfeer is raar en de oorlog komt niet ter sprake.

Het bezoek duurt niet lang. Het afscheid door de vrouw is hartelijk. Mijn opa blijft stil.

We lopen door de gang naar buiten.

Daar aangekomen draait opa zich om. Hij kijkt de vrouw aan. Haar gezicht verstrakt. Hij zegt:: “Waarom die woekerprijzen? Is dat bloedgeld echt zo belangrijk?”

De vrouw staart hem aan, wil iets zeggen, maar doet dat niet en sluit met een stalen gezicht de deur. 

De terugreis naar Zwolle is lang, al duurt die maar 20 minuten.

Bron: Joop Davelaar maakte dit tijdens de oorlog mee. Hij is de opa van de man van Ksenia. Een ander verhaal van hem lees je hier.

Deel dit: