De melkbus

Afbeelding voor

Daar is die schreeuw weer, gevolgd door de schrille fluit. Het haalt me uit een diepe slaap. 

Nog meer geschreeuw. 

Naast me beweegt mijn zwager. We liggen dicht tegen elkaar aan, want de dekens zijn dun en in de zakken waar we op slapen zit nauwelijks stro. 

RAUS! 

Onderweg naar buiten pakken we van de tafel ons ontbijt. Een donker stuk brood, net als gisteren.

Aan een ton hangt een touw met daaraan een beker. Ik schep water en drink het snel op. Neem gauw nog een tweede maar dan moet ik de beker al doorgeven. 

Buiten stellen we ons op in twee rijen, terwijl we onderwijl gauw ons brood opeten. Het is niet veel, maar ik bewaar toch een stuk voor later. Dat is handig. We worden geteld en gaan daarna op pad. 

Iedere dag lopen we dezelfde route. We zijn met om en nabij de 20 gevangenen, twee bewakers en een commandant op de fiets.

Gevangenen ja, want een week eerder was ik samen met mijn zwager bij de brug in Zwolle opgepakt. We hadden in Groningen eten gehaald voor onderduikers en waren met onze handkar op weg naar Utrecht. Bij de brug vond een controleur het nodig om een stuk spek van ons te stelen. 

Mijn zwager was een jaar of 17 en redelijk impulsief. Hij gaf die vuile NSB’er een rechtse directe en hoekte hem zo van het taluud af. 

Hij viel in de struiken, dus overleefde het. Maar wij werden gearresteerd. Weg kar, weg eten, weg vrijheid. 

Een Nederlandstalige bewaker nam ons mee de brug over richting Zwolle. Midden op hield hij halt: “Ik loop zo een stukje vooruit. Ontsnappen heeft geen zin zoals je begrijpt met die bewakers aan weerszijden van de brug. Maar als jullie spullen in je zakken hebben waarvan je niet wilt dat het gevonden wordt, dan is dit wel het moment om daar vanaf te geraken. De IJssel is je graag van dienst.” Hij knipoogde en liep door. 

Ik wisselde een blik met mijn zwager en snel gooiden we onze gestolen voedselbonnen weg. 

Zo kwamen we met lege zakken aan in ons nieuwe huis in de Berkumstraat. Daar sliepen we, terwijl we overdag moesten werken op het rangeerterrein bij het station.

Iedere dag lopen we langs de gracht naar het station en terug. We kunnen de route inmiddels dromen. 

Bij de grote kerk staat een kar met een paard ervoor. Op de kar staan melkbussen. De commandant fietst vooruit en gaat met de koetsier in gesprek. Er wordt gewezen op de melkbussen en onze commandant knikt. 

Als we bij de kar zijn aangekomen moeten we halt houden. Ze zoeken twee vrijwilligers om de kar te lossen en samen met mijn zwager meld ik me. 

De commandant vindt het prima en terwijl de rest van de groep weg loopt, trekken we ons uitgehongerde lichaam de kar op. We slepen de acht warme melkbussen naar de rand en tillen ze daarna naar de straat. 

We pakken elk een hengsel en slepen de bussen de kerk in. Buiten praat de bewaker met de koetsier en dus besluiten we de inhoud te verkennen. 

Het is warme soep. We hebben geen beker en de bussen zijn te zwaar om uit te drinken. Met onze kale handen schrapen we het schuim uit de hals van de bussen, zodat we alsnog iets te eten hebben. 

Als we de laatste bus binnen hebben staan, komt de bewaker. Hij sommeert ons direct richting station te lopen waar we geacht worden kolen te scheppen.

Deel dit: