Elke maand gratis nieuwsbrief:

Vechten vanwege hun afkomst

Op school moesten mijn vrienden vechten voor hun leven. Niet om wat ze deden of nalieten. Maar vanwege hun afkomst. Vanaf hun geboorte waren ze gemerkt.

Dat gold ook voor mij, maar de achternaam van mijn vader maakte dat ik die afkomst makkelijk kon verbergen en zelfs ontkennen. Dankzij hem was mijn huidskleur ook licht genoeg om op straat en in het openbaar vervoer het voordeel van de twijfel te krijgen.

Die vader dank ik aan het antisemitisme dat heerste in het oosten van Oekraïne, toen onderdeel van de USSR. Mijn zeer getalenteerde moeder werd vanwege haar afkomst bijvoorbeeld niet toegelaten op een conservatorium. Haar ouders hadden geen andere keuze dan haar 1500 kms verderop te laten studeren, alleen in een hele grote stad.

Dat we in grote steden mochten wonen was overigens al heel wat, want dat was verboden voor mijn voorouders. In het vestigingsgebied tussen de Oostzee en de Zwarte Zee mochten ze kleine dorpjes zonder noemenswaardige faciliteiten bouwen. Dat reservaat besloeg een deel van het huidige Polen, Litouwen, Wit-Rusland en (het westen van) Oekraïne.

De pogroms die daar plaatsvonden maakten dat veel inwoners na de eerste wereldoorlog de benen namen naar de Verenigde Staten. Anderen – zoals mijn betovergrootouders – geloofden in de voorzienigheid van de communistische heilstaat en vertrokken midden in de Russische burgeroorlog naar een zgn. ‘Rode regio’.

In mijn voorstelling Arum dem Fayer treed ik in de schoenen van die voorouders. En beleef ik die dilemma’s.

Deel dit: