Brood

Afbeelding voor

Ik zat op een bankje in de zon. Uit de menigte even verderop maakte zich een vrouw los die naast me ging zitten. Ik keek haar aan. Het was een geëmancipeerde jonge vrouw. Bleek. Niet ouder dan 18 jaar. 

Ze hief haar arm op om haar zonnekap van haar hoofd te halen en die als ventilator te kunnen gebruiken. Haar mouw viel open en onthulde een arm die uit niet meer dan een paar botten bestond. 

Ze zag mijn geschrokken blik en trok de mouw snel omlaag. “Dat is alles dat er van me over is,” zei ze, “is het niet grappig? De overheid zegt ons te verdedigden, maar we zijn aan het verhongeren.” Ze slikte. “Als we straks met genoeg mensen zijn, dan bestormen we de bakkerijen en pakken we elk een groot brood. Dat is het minste de overheid ons kan geven, aangezien ze onze mannen al afgenomen hebben.”

De menigte groeide snel tot misschien wel duizend vrouwen en kinderen. En er bleven maar mensen bijkomen en velen hadden karren bij zich. Toen het een hele horde was, liepen ze stil en georganiseerd de stad in. Ze plunderden de voorraden van de voedselspeculanten die veel geld aan deze oorlog verdienen.

Gouverneur Letcher stuurde de burgemeester om de menigte onder controle te krijgen. Hij wees de vrouwen op de wetgeving: plunderen en relschoppen zijn niet toegestaan. Zijn woorden hadden geen effect en daarom stuurde hij de lokale militie op de vrouwen en kinderen af.

Geschrokken en bang lieten de vrouwen zich terug dringen. Ze parkeerden hun karren met buit op en plein en daar bleven ze, want wilden geen gehoor geven aan het bevel om naar huis te gaan. 

President Jefferson Davis verscheen. Hij sprak de horde warm toe. De kinderen reageerden met boe-geroep, maar nadat hij veel begrip toonde voor de situatie en beterschap beloofde vertrokken een aantal vrouwen en kinderen met hun gewonnen voedsel naar huis. De meesten bleven echter staan. 

Twee Generaals eisten actie tegen deze vrouwen en kinderen, maar de Staatssecretaris vond dat geen goed idee en weigerde het bevel goed te keuren. 

Terwijl ik je dit schrijf, staan er nog altijd vrouwen en kinderen op het plein. De sfeer is goed. De overheid deelt rijst uit. 

Nu ik dit meegemaakt heb, schaam ik me voor mijn vorige brieven waarin ik klaagde over het gebrek aan luxe kleding, zoals hoeden en jurken. Brieven waarin ik klaagde over het gebrek aan dik papier, boeken en luxe eten. 

Een deel uit een brief van een vrouw uit Richmond aan een vriend, geschreven 2 april 1863. De Amerikaanse burgeroolog (12 apr. 1861 – 9 apr. 1865) was toen bijna twee jaar oud.

Deel dit: