Forshmak

Oude sepia foto uit de USSR met het gezicht van een stijlvol geklede Joodse vrouw getooid in een weelderige bontmuts die Forshmak voor Ksenia maakte.
Mijn oma maakte traditioneel joodse gerechten voor me, zoals Forshmak.

Nog onder invloed van de narcose open ik mijn ogen, om als eerste haar gezicht te zien. Ze zit aan mijn bed in het ziekenhuis en heeft dan al uren mijn lippen natgehouden met een watje. Het is mijn joodse oma, uit Kharkiv. We zijn samen in een ziekenhuis in de buurt aan de Zee van Azov waar we de zomer van 1979 doorbrengen. Ik krijg een blindedarm-ontsteking en word in dat noodziekenhuis door een stagiair geopereerd. Mijn oma is doodsbang dat ik de operatie niet zal overleven en waakt over me tot ik weer kan lopen. 

Het is dezelfde oma waar ik drie jaar later naartoe ren met het nieuws dat partijleider Leonid Brezjnev dood is. Ik hoor het op school en weet niet hoe snel ik thuis moet komen om het te vertellen. Rennend door de speeltuin tussen de flats zie ik haar op het balkon van haar appartement op de eerste verdieping staan. Ik ben negen en schreeuw het nieuws van me af. Subtiel, maar dwingend, maant mijn oma me tot stilte, want over partijdingen spreek je in de USSR niet, althans niet hardop. 

Ik ben vaak bij mijn opa en oma in Kharkiv terwijl mijn ouders in Sint-Petersburg wonen. Het landklimaat in mijn Oekraïense geboortestad ligt me beter dan het zeeklimaat in de stad die Peter de Grote ooit naar Amsterdam’s voorbeeld in het moeras liet bouwen. Ik vind het heerlijk bij mijn Joodse grootouders. 

Ze wonen in een Sovjet-flat, type Chroesjtsjovka. Vernoemd naar de partijleider die ervoor zorgde dat ze massaal gebouwd werden om de woningnood te bestrijden. Met 42 vierkante meter zijn de appartementen klein, maar er is warm – en koud water. En stadsverwarming. In steden staan vaak 10 tot 20 van die complexen bij elkaar, met hun eigen winkels en scholen. Het zijn aparte wijken in hele grote steden. En vanwege de matige bouwkwaliteit en armoedige uitvoering worden het ook wel sloppenwijken genoemd. Nog altijd stellen de flats niet veel voor, maar het is Thuis voor heel veel mensen. 

In de jaren ’70 en ’80 is alles schaars in de USSR. De groentewinkel bij mijn oma in de buurt heeft af en toe verse spullen. En met vers bedoel ik rottende – of zelfs al verrotte groente en fruit, niet het vers dat je Nederland gewend bent. Maar meestal ben je aangewezen op conserven uit de buurtwinkel. 

Een alternatief biedt de markt, maar die is ver weg en dus een hele onderneming om daar te komen. Zeker voor een drukke vrouw zoals mijn oma, die haar geld verdient als muzikant, kleermaker en door langs de deur verzekeringen te verkopen. Maar als ze dan terug komt van de de markt, dan maakt ze de meest verrukkelijke dingen, zoals taarten en koekjes die hoog op kasten worden verstopt, zodat ik niet alles in één keer op kan eten. 

En ze maakt ook allerhande traditionele gerechten, zoals Forshmak. Dat is een smeersel gemaakt van gehakte zoute haring en gestampte gekookte eieren. Dat breng je op smaak met appel, uien, zout en peper. Wij eten dat op zurig donker roggebrood. 

Ik zie mezelf nog met vrienden spelen tussen de flats. Dan gaat het klapraampje open en steekt het elegante hoofd van mijn oma naar buiten, die dan keihard fluit en mijn koosnaampje roept, gevolgd door ‘eten!’ Ik spring overeind en ren de speeltuin door. Dan vlieg ik over de paadjes naar de ijzeren deur van het appartementencomplex. Die trek ik open om dan in het halve donker tweeënhalve trap omhoog te rennen naar de keuken. Daar duik ik de koelkast in, pak de Forshmak, het donkere brood en ga aan de kleine keukentafel zitten eten.

Zelf maak ik Forshmak zelden. Heel af en toe als ik bezoek krijg. Of voor vrienden. En bij iedere hap die ik neem, denk ik aan haar, mijn trotste oma die haar conservatorium niet af kon maken omdat de tweede wereldoorlog er tussendoor kwam.

Deel dit: