
Patat had ik zin in. Na een lange inspannende theaterdag waren we onderweg naar huis. Ik zocht een snackbar op in Amersfoort en leidde ons er naartoe. We parkeerden en stapten uit. Mijn man zag de handgeschreven reclameborden en constateerde op basis van het aanbod dat het een goede tent moest zijn. Ruim 30 jaar woon ik in Nederland en nog altijd kan ik niet wennen aan de overdaad van ook maar de eenvoudigste snackbar hier.
Ben de laatste tijd voor diverse projecten druk met de Sovjet-Unie. Ik vind die reis naar het verleden uitermate boeiend, maar ook wel confronterend. Logisch gevolg van die speurtocht is dat ik bijna alles van nu vergelijk met de USSR van toen, dus ook dat enorme assortiment van die snackbar.
We leerden in de Sovjet-Unie van alles, maar niet om te kiezen. Buurtwinkels waren leeg of verkochten verrotte groente. Bananen kende je hooguit van de foto en voor een kilo boekweit stond je een halve dag in de rij. Je kocht wat er was, want er viel niets uit te zoeken. Als je creatief en niet te veeleisend was, dan leed je geen honger, maar een vetpot was het nooit.
In die mooie socialistische USSR was iedereen gelijk, aldus de Communistische Partij. Daarvoor moest je dan wel voldoen aan de door hen gestelde norm en niet de verkeerde liederen zingen. Of om de verkeerde dingen vragen. Bij sommige winkels stonden lege verpakkingen in de kasten om te suggereren dat ze iets op voorraad hadden. Zo bezien was er inderdaad gelijkheid, want ook thuis waren de kasten leeg.
De schijf van vijf op een broodje

In Nederland maakte ik bij Cafetaria Alberto, wereldberoemd in Zwolle, aan de Vechtstraat ooit kennis met hun legendarische broodje gezond. Daarop zat een grotere verscheidenheid aan groente en fruit dan ik in de Sovjet-Unie ooit bij elkaar heb gezien. Dat broodje van Alberto was een waar kunstwerk, de belichaming van de oorspronkelijke schijf van vijf.
In de Sovjet-Unie was ik blij wanneer er eten te koop was, bij een snackbar in Nederland voel ik opluchting wanneer ik eindelijk besloten heb wat ik ga eten. De overdaad in Nederland is enorm, met keuzestress als logisch gevolg. Een luxe-probleem, waar ik bewust van geniet.
Bij Cafetaria De Dalton in Amersfoort begon het genieten al met die handgeschreven borden buiten. Het riante assortiment in de vitrine binnen deed er nog een schepje bovenop. Mijn hoofd probeerde de opties op een rijtje te zetten.
Ik hoorde mijn man bestellen. Hoe doet hij dat zo snel? Is dat iets Nederlands of zo? De lieve eigenares keek mij aan, boog zich iets naar me toen en vroeg hoe ze mij kon helpen.
Kortsluiting

Ik stamelde: “Eh …. Eh … heeft u ook kroketten?”
Ze boog zich verder naar me toe en begon hardop te lachen: “Vraagt u me nu echt of ik kroketten heb?”
Mijn man grapte dat ik een migrant ben, die nog niet zo lang op “assimileren” zit.
Maar in mijn jeugd leerde ik niet te vertrouwen op mijn ogen en geen verwachtingen te hebben bij het uitgestalde assortiment, in welke winkel dan ook. De planken met lege verpakkingen staan me nog altijd op het netvlies.
“Mevrouw, ik heb kroketten van Kwekkeboom, van Van Dobbe en een traditionele draadjesvleeskroket”, klonk het vriendelijk.
Ik koos de laatste, met patat van zoete aardappelen. Die merkkroketten zeggen me niets. Als iemand met het verschil kan uitleggen, dan hoor ik het graag. Terwijl het in alle rust bereid werd, keek ik rond.
Snackbar als buurthuis

Cafetaria De Dalton in Amersfoort is een soort mini-galerie die vol hangt met originele posters van historische tentoonstellingen en films. Zoals een prachtig buurthuis. “Is de hobby van mijn man,” vertelde de eigenares attent, “Hij wisselt ze regelmatig.”
De eigenzinnigheid bevalt me. Net als de kwaliteit van de frituur. Echte ambachtslieden, met hart voor hun zaak.
“De beste snackbar van de regio,” vertelde één van drie bouwvakkers die zaten te schaften.
Immaterieel erfgoed leerde ik later.