Elke maand gratis nieuwsbrief:

Een streek waar verder niemand wilde wonen

De woestijnen in Israël en Palestina zijn deels zand en deels rotsen met hier en daar een plantje.

Het huidige Israël was vroeger grotendeels onbewoonbaar. De Thora en de Bijbel, als ook de Romeinse geschiedschrijvers en de Kruisvaarders zijn daar duidelijk over. Het was een dorre woestijn, met in westen een strook moerassen vol dodelijke malaria-muggen. Het was een Joodse streek waar verder niemand wilde wonen, omdat je er niet kon overleven. Dat is uitgebreid gedocumenteerd, ook door de VN. Ik vind het wat dat betreft knap van Palestijnse organisaties hoe ze de illusie hebben gecreëerd dat het altijd een drukbevolkte Arabische regio is geweest. En dat die regio gekoloniseerd wordt door Joden, een volk dat er niet hoort. De realiteit is een hele andere, want het huidige Israël was tot 1900 dun bevolkt met een mix van bedoeïenen, Arabieren en Joden. In totaal woonden er nog geen half miljoen mensen, tegen nu ruim 12 miljoen. Een beknopte geschiedenis. 

Leven rond zoet water

Het leven in het Midden-Oosten concentreerde zich rond rivieren en bronnen. De beschaving begon rond de Eufraat en de Tigris. Denk alleen al aan de Babyloniërs en Mesopotamiërs. En natuurlijk het leven rond de Nijl in Egypte en het volk van Kanaän langs de Jordaan. Ook waren er bronnen. Zoals die van Gihon, waar Jerusalem bij ontstaan is. En daartussen reisden bedoeïenen, die woonden in tenten en leefden van de handel met die woongemeenschappen.

Als je kijkt naar oude kaarten van die regio, dan zie je dat nagenoeg alle grote steden aan of in de buurt van een rivier liggen. Mensen woonden in wat nu Syrië, Jordanië en Israël is dus in de buurt van zoet water.

Romeinse aquaducten

Aqueduct van Caesarea.

De Romeinen brachten met hun Aquaducten zoet water van rivieren naar regio’s die zij belangrijk vonden voor de handel. Denk aan havensteden als Caesarea, Haifa en Akko in Noord-Israël, en Ashkelon en Jaffa in Zuid-Israël. De gebieden daaromheen bleven onbewoonbaar.

Aqueduct bij Akko.

Dat bleef heel lang zo.

Toen het Ottomaanse rijk in 1917 verslagen werd, namen de Engelsen en de Fransen de regio in. Hun mannelijke bevolking was doodgebloed in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Om het leger van capaciteit te voorzien, konden de mannen uit het Midden-Oosten het leger in.

Grond in ruil voor dienstplicht

Bedu wonen nog altijd in tenten die makkelijk verplaatsbaar zijn.

De Joden en Bedoeïenen kregen voor die dienstplicht betaald in vierkante meters grond. De Engelse overheid dacht met het uitdelen van een paar vierkante meter onbewoonbare grond drie vliegen in één klap te slaan. Ze bemanden hun leger, zorgden ervoor dat de regio bewoonbaar werd en maakten gelijk een eind aan die rondtrekkende volkeren. De gedachte was dus dat als je Bedu grond geeft, ze op één plek gaan wonen.

Een onjuiste aanname, want Bedu vinden – net als veel stammen in Amerika en Azië – dat je grond en de aarde niet kunt bezitten. Papiertjes hebben in die cultuur geen plek. Ze wonen niet op één plek, maar verhuizen met de seizoenen mee. Niet uniek voor de Bedu, want stammen in Noord-Amerika deden hetzelfde en trokken achter de bizon aan.

Civilisatie door landbouw

De Engelsen bouwden veel wegen en spoorlijnen, en ze probeerden de regio te civiliseren. Joden leerden (oa) van de Engelsen met moderne landbouw-techieken onbewoonbare gebieden bewoonbaar te maken. En ze verdienden geld met de oogst.

De Bedu kregen na hun dienstplicht betaald en verkochten die grond aan Arabische projectontwikkelaars. Die projectontwikkelaars verzamelden zo al die kleine stukjes grond die ze tot lappen verkavelden om ze dan aan de hoogste bieder te verkopen.

Dat waren veelal Joden, die daar gingen wonen en boeren bedrijven van maakten. In die landbouw ontstonden vervolgens talloze banen. Die werden eerst ingenomen door Joden en daarna door Arabieren die vanuit het hele Midden-Oosten naar de Joodse gebieden migreerden. Die aantrekkingskracht was zo groot dat de Engelse minister van Koloniën schreef: “The Arab immigration to Palestine during the British Mandate is so large that their numbers grow in such proportion that even if all Jews immigrate to Palestine, they can not reach that number.”

(artikel gaat door onder de video)

Joods plan bedreigend voor Arabieren

In tegenstelling tot de Bedu en de Arabieren waren de Joden vanaf het begin georganiseerd. Ze hadden een duidelijk plan om op hun historische grond een samenleving op te bouwen. De Arabieren vonden het bedreigend en reageerden met geweld.

Daarbij vielen aan beide kanten veel slachtoffers.

De wereld schrikt van het geweld

Na internationale druk greep het Engelse leger in en werd het Arabische geweld in 1920, 1921 en 1929 hardhandig de kop ingedrukt. In 1936 hadden de Arabieren zich verenigd en begon een algehele opstand die pas in 1939 door de Engelsen werd neergeslagen.

De Amerikaanse President Franklin D. Roosevelt keurde het geweld af. Hij probeerde de Engelsen tot inzicht te dwingen het beleid te wijzigen en haast te maken met de lokale verdeling. In 1939 schreef hij onder meer: “The Arab immigration to Palestine since 1921 was much greater than Jewish immigration.״

De Joden zagen de massale Arabische immigratie echter als een teken van vooruitgang. Die Arabieren verkozen de betere omstandigheden op de Joodse boerderijen immers boven de situatie in hun Arabische land van geboorte. 

De Engelsen en de Fransen presenteerden in 1937 een plan om de regio op te delen in twee staten. De Arabische bevolking kreeg ruim 80% en de Joden 17%. De verdeling was min of meer in lijn met de demografische situatie. Er woonden 200.000 joden en 800.000 Moslims in de regio (en 100.000 Christenen en anders). Bovendien moesten de Joden de Moslimstaat financieel ondersteunen. Joodse leiders waren bereid het plan te ondersteunen, maar de Arabische samenleving wees het van de hand: “Iedereen die een Jood in het Midden-Oosten zou accepteren, is persona non-grata in de Arabische wereld.”

Die visie is de kern van het probleem. Tekst gaat onder de foto verder.

Het Klooster van Saba in de woestijn bij Bethlehem, gelegen in de Kidron Wadi,waardoor regenwater naar de Dode Zee stroomt.

1947-1949

Na de tweede wereldoorlog stelden de Verenigde Naties in resolutie 181 een tweestaten-oplossing voor. Het grondgebied zou opgedeeld worden en zo zou naast elkaar een Joodse (55%) – en een Arabische staat (45%) ontstaan. Die verdeling lijkt scheef afgezet tegen de demografische verdeling: 650.000 Joden, 150.000 Christenen (en anders) en 1.1 miljoen Moslims. Maar dat ziet er anders uit als je kijkt naar de aard van de grond. De Arabieren kregen bewoonbaar land toegewezen. Land dat vooral lag langs zoetwaterbronnen. De Joden kregen de onbewoonbare woestijn, een strook moerassen die ze bewoonbaar aan het maken waren en diverse historische locaties. Jerusalem, waar net zoveel Joden als Moslims woonden, zou een internationale stad worden die aan geen van de volkeren werd toegekend. 

Met tegenzin accepteerden de Joden resolutie 181 waarin de tweestaten-oplossing geregeld werd. De Arabische wereld wees hem af en begon een oorlog ter vernietiging van de Joden. Dat lukte ze niet, hetgeen ze een catastrofe (Nakba) noemden. 

De Joden bleven overeind en veroverden zelfs meer grond dan door de VN was toegewezen. Toen de rook was opgetrokken hadden ze ongeveer 75% en het westen van Jerusalem in handen. De Arabische bewoners bleven met lege handen achter, want de andere 40% – de Gaza-strook en West-Bank, inclusief Oost-Jerusalem en de heilige oude stad – werden geannexeerd door Egypte en Jordanië. 

Vluchtelingen 

De huidige vluchtelingensituatie is een overblijfsel uit die tijd. De VN heeft altijd gesteld dat 726.000 vluchtelingen terug moeten kunnen keren naar hun oude woonplaats in wat nu Israël is. Dat is resolutie 194. Dat horen we ook veel in de media. En we horen dat Israël daar geen zin in heeft. Soms horen we dat er ook sprake is van ruim 700.000 Joodse vluchtelingen die uit de Arabische wereld verbannen werden en dat die dan terug zouden moeten kunnen keren naar hun oude woonplaats. Wat we echter nooit horen is dat de terugkeer-resolutie 194 samenhangt met Resolutie 181. Of te wel: de Arabische wereld erkent eerst het bestaan van de Joodse Staat en is het dus eens met de aanwezigheid van Joden in het Midden-Oosten.

Deel dit: